|  Login
 
Voorstelling

De sociale huisvestingsmaatschappij Merelbeekse Sociale Woningen werd opgericht door Jean Verhaegen op 25 juli 1921 onder de naam "Meirelbeeksche Goedkoope Woningen". De officiële bekendmaking gebeurde op 14 augustus 1921 door publicatie in het Belgisch Staatsblad onder het nummer 8535.

De Merelbeekse Sociale Woningen is een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.

Aandeelhouders:

  • Staat
  • Provincie
  • Gemeente Merelbeke
  • Gemeente Oosterzele
  • Stad Gent
  • OCMW Merelbeke
  • Baron Verhaegen

Publicatie in de bijlage van het Belgisch Staatsblad onder het nummer: 8535
Registratie in Gent: RBV Gent 038
Erkenning door de VHM onder nummer: 4230
Nationaal nummer: 400.189.831

Geschiedenis

Jean Verhaegen werd geboren op 5 oktober 1892 als jongste zoon van een gezin van 10 kinderen. Zijn vader, Arthur Verhaegen, was ingenieur van bruggen en wegen, architect en een invloedrijk nationaal politicus. Als voorzitter van de katholieke Volksbond speelde hij een vooraanstaande rol in de christen-democratie.

Jean groeide op in een zeer burgerlijk, welstellend, katholiek en gesloten milieu. Zijn leefwereld beperkte zicht tot de familie, de gelijkgezinde vriendenkring en het personeel in het ouderlijk huis aan de Oude Houtlei (Hotel Lammens genaamd) of op het zomerkasteel Blauwhuys te Merelbeke. De jongste Verhaegen ging rechten studeren aan de Leuvense universtiteit. Door zijn tantes werd hij beschreven als een zeer vertroetelde, levenslustige jongeman, een echte grappenmaker. Na het beëindigen van zijn voorlaatste jaar aan de universiteit en enkele dagen voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog (4 augustus 1914) bood hij zich aan als soldaat in het Belgische leger. Plotseling kwam hij in contact met boeren en arbeiders, met liberalen en socialisten, kortom met mensen waarvan hij voordien nauwelijks het bestaan kende. Zoals bij zoveel jongemannen veranderden die vier lange frontjaren zijn wereldbeeld en ontwikkelden bij hem niet alleen een buitengewoon sociaal gevoel maar ook respect voor andersdenkenden.
Jean Verhaegen kwam tot de vaststelling dat (bijvoorbeeld) liberalen evenveel waard waren als katholieken, alhoewel zij geen kerkgangers waren of niet naar dezelfde kerk gingen. Zo bleef zijn hechte vriendschap met de Gentse liberaal Louis Fredericq, eveneens korporaal, ook na de oorlog duren. Het is duidelijk dat de oorlog diepgaande sporen bij Jean Verhaegen had achtergelaten. De vrolijke jongeling van vroeger veranderde in een eerder somber, maar ruimdenkend man.

Na zijn huwelijk met Simone Piers de Raveschoot vestigde het echtpaar zich op het landgoed te Merelbeke. Geconfronteerd met de schrijnende woningnood onder de Merelbeekse bevolking, wendde hij al zijn invloed aan om het nodige privé-kapitaal voor de oprichting van een Merelbeekse bouwmaatschappij bijeen te vinden.

Hij richtte een ´Voorloopig Komiteit voor het bouwen van Goekoope Woningen´ op, dat een dringende oproep deed tot alle welstellende inwoners om in te tekenen op de aandelen van "eene plaatselijke maatschappij voor het bouwen van goedkoope woningen, bestemd om aan weinig bemiddelde personen, en bijzonder aan talrije huisgezinnen verhuurd te worden".
Voor één aandeel diende de intekenaar 20 goudfranken neer te tellen, een heel bedrag in die tijd. Het gros van de privé-aandelen stond op naam van de familie Verhaegen. Onder de andere aandeelhouders treffen we heel wat andere bekende Merelbekenaars aan: Dr. D´Haenens, Dr. Matton, drukker Dooreman, de familie Drory, August en Prosper Lachaert, de familie Leirens, de advokaat Poll, de molenaarsfamilie Thienpont, de familie Rotsaert de Hertaing, de bloemistenfamilie De Cock, de latere burgemeester Modeste De Guchteneêre, de scheepsbouwer Frans Van Kerckhove, de familie Vermeulen, Louis Fredericq, de burgemeestersfamilie Hebbelynck, enz...
Jean Verhaegen klopte aan bij iedereen die enige naam en faam genoot in Merelbeke. De gezindheid van de geïnteresseerde speelde hierbij geen enkele rol, wel zijn of haar financiële mogelijkheden. Het pakket privé-aandelen was verdeeld onder ongeveer 67 personen.
Vanaf de jaren ´30 kocht Jean Verhaegen geleidelijk alle aandelen op. Na de Tweede Wereldoorlog bracht zijn zoon en opvolger Pierre de resterende privé-aandelen bijeen.
Eenmaal het privé-kapitaal verzameld, moest enkel nog de medewerking vanhet gemeentebestuur worden verkregen.
Maar ook daar leken alle moeilijkheden van de baan, toen Jean Verhaegen, in het spoor van zijn in 1917 overleden vader, in de gemeentepolitiek trad. Na de gemeenteraadsverkiezingen van april 1921 werd hij als katholiek raadslid tot eerste schepen verkozen. Hij gebruikte die positie om de financiële participatie van de gemeente in de Meirelbeeksche Goedkoope Woningen te verzekeren. Tijdens de zitting van 13 juli 1921 besloot de gemeenteraad dat de gemeente "in het belang van hare arbeidersbevolking en namelijk van de talrijke en behoeftige gezinnen, eene opoffering moet doen, zoals de andere openbare inrichtingen, de staat en de provincie". De staat, de provincie en de gemeente tekenden elk in voor 250 aandelen. De Commissie van Openbare Onderstand, het huidige OCMW, participeerde voor 20 aandelen in de nieuwe maatschappij. Twintig procent of 20.000 goudfranken moest onmiddellijk worden gestort.

Eénmaal het kapitaal verzameld, legde de Gentse notaris Cyrille De Wilde, bij notariële akte van 25 juli 1921, de oprichting van de ´Meirelbeeksche Goedkoope Woningen´ vast. De officiële bekendmaking gebeurde op 14 augustus door publicatie in het Belgisch Staatsblad onder het nummer 8535. De Nationale Maatschappij had inmiddels de door Jean Verhaegen gestichte vennootschap onder het stamnummer 423 erkend. Deze erkenning moet om de dertig jaar worden vernieuwd.

Onmiddellijk na de ondertekening van de notariële akte werd de eerste algemene vergadering der aandeelhouders op het Merelbeeks gemeentehuis samengeroepen. Rechter Eugène Verbruggen, kamervoorzitter van de Gentse rechtbank van eerste aanleg, werd als ouderdomsdeken tot voorzitter van de Raad van Beheer verkozen. Deze raad stond in voor het algemeen bestuur van de maatschappij en was samengesteld uit 6 beheerders en 2 commissarissen. De vertegenwoordiger van de staat, de provincie en de gemeente legden samen beslag op drie beheerszetels. Het ging om respectievelijk Jean Samyn (afgevaardigde van het ministerie van Financiën), Lucien Van Den Hende (vertegenwoordiger van de provincie Oost-Vlaanderen) en Jean Verhaegen, die als eerste schepen de gemeente Merelbeke vertegenwoordigde. De drie andere beheerders waren Dokter D´Haenens, baron Verhaegen (oudste zoon van Arthur Verhaegen en broer van Jean) en natuurlijk voorzitter Eugène Verbruggen. Op de stichtingsvergadering werden ook twee commissarissen verkozen. De eer viel te beurt aan de liberale advokaat Georges Poll, wiens kantoor in Gent maar zijn domicilie te Merelbeke was gevestigd, en aan de ingenieur Georges de Gran´Ry, schoonbroer van Jean Verhaegen. Zij oefenden het toezicht uit op de werkzaamheden aan de Beheerraad. De maatschappelijke zetel van de vennootschap was gevestigd n het kasteel Blauwhuys aan de Gaversesteenweg. Jean Verhaegen werd als afgevaardigd-beheerder aangesteld en nam tevens het secretariaat voor zijn rekening. Het feitelijke bestuur van de maatschappij was dus in handen van de stichter.

Onmiddellijk na zijn installatie vatte het bestuur van de Meirelbeeksche Goedkoope Woningen het bouwen van ´werkmanswoningen´ aan. Het kopen van reeds bestaande, maar dringend op te knappen huizen, werd sterk afgeraden, want dat verhoogde het aantal nieuwe woningen niet. Bovendien betekende het opzetten van bouwprojecten een krachtige impuls voor de bouwnijverheid, die gedurende de vier oorlogsjaren praktisch was lamgelegd. In september 1921 werden 2 terreinen aangekocht. Het eerste stuk bouwgrond lag in het gehucht Nachtegaal, aan de Fraterstraat en de Heidestraat. De verkoper was de gekende Merelbeekse bloemist Julien De Cock, aandeelhouder van de maatschappij. Het tweede terrein situeerde zich aan de Kerkwegel (de huidige Chrysantenstraat) in het gehucht Hukkelgem. Inmiddels had de beheerraad een architect aangesteld. In augustus 1921 diende Valentin Vaerwyck de eerste mooi beschilderde voorontwerpen in. De Raad van Beheer had gekozen voor groepen van vier tot zes rijwoningen met een zadeldak en een relatief smalle voorgevel. Bij de hoekhuizen stond de ingangsdeur links of rechts van een venster voorzien van luiken, bij de ´ingeklemde´ woningen centraal tussen twee vensters. Het regenwater werd via een pijp opgevangen in een regenton, die aan elk huis was neergezet. Elk huis beschikte over een lange smalle tuin. Over de binneninrichting zijn de ontwerpen niet zeer duidelijk. Het gelijkvloers bestond uit één grote centrale plaats, met daarachter vermoedelijk de keuken die ook als badkamer dienst deed. Het toilet bevond zich achteraan het huis en was bereikbaar via de stalling.
Het staat niet vast dat Vaerwyck ook de definitieve plannen opstelde en de leiding van de bouw op zich nam. Het is mogelijk dat de maatschappij uiteindelijk beroep deed op Gustave Taylor, architect en buur van voorzitter Verbruggen. Taylor die vanaf 1926 de functie van secretaris binnen de maatschappij uitoefende, was in elk geval wel de auteur van alle ontwerpen die op het einde van de jaren ´20 werden ingediend en uitgevoerd.
Als voogdijoverheid kwam het de Nationale Maatschappij toe na te gaan of de door de lokale maatschappij ingediende plannen waren opgemaakt "met een ernstig streven naar besparing, zonder te schaden aan de grondvereischten van gezondheid en esthetiek. Men moet individuele huizen trachten te bouwen die hoogstens 20.000 frank, en zelfs minder zullen kosten". Er werd aangeraden zuinig om te springen met de bouwoppervlakte en zoveel mogelijk in groep te bouwen. Gezien de huurprijs grotendeels werd berekend op basis van de kostprijs per woning, betekende een lage kostprijs een lage huurprijs.
Eenmaal de ontwerpen goedgekeurd, werd een openbare aanbesteding uitgeschreven. Over de aannemer(s) die de projecten wist(en) binnen te rijven is ons niets bekend. Zowel de architect als de Nationale Maatschappij onderwierpen de aanbesteding aan een zeer strenge controle. Op 10 november 1921 werden de definitieve plannen en de aanbesteding voor de bouw van 20 huizen op het terrein in Nachtegaal en 10 woningen op de grond in Hukkelgem door de Nationale Maatschappij goedgekeurd.
Deze eerste twee bouwprojecten van de Meirelbeeksche Goedkoope Woningen slorpten zoveel energie op dat er voor de bestuurders blijkbaar geen tijd meer overbleef om het register van de beraadslagingen van de Raad van Beheer en van de Algemene Vergadering voor de jaren 1922 tot 1925 in te vullen. Over het verloop van de werkzaamheden komen we dus niets te weten.
Eén jaar na de aanbesteding konden de ´goedkope woningen´ in gebruik genomen worden. Voor een huis in de wijk Nachtegaal bedroeg de kostprijs 17.940 frank, het prijskaartje in de wijk Hukkelgem liep op tot 18.400 frank. De Merelbeekse Maatschappij was er dus in geslaagd onder de door de Nationale Maatschappij vastgestelde maximumnorm van 20.000 frank per woning te blijven. De bouw van beide woongroepen werd gefinancierd met kredieten verleend door de Nationale Maatschappij. Deze leningen waren bijzonder goedkoop ( 1,5 to 2,5 procent interest ) en hadden een terugbetalingstermijn van 66 jaar.

Hoewel de eerste opdracht van de Merelbeekse Maatschappij bestond uit het bouwen van huurwoningen, werd de verkoop van huizen een activiteit die vrij spoedig veel succes kende. Hiermee beantwoordde de Meirelbeeksche Goedkoope Woningen aan de oproep van de Nationale Maatschappij om een deel van het patrimonium te verkopen en de opbrengsten aan nieuwbouw te besteden.
Van 1925 tot 1927 konden acht huurders hun woning als eigendom verwerven. De toekenning van premies door de staat en de provincie stelden nu ook minderbegoeden in staat een woning aan nieuwbouwprijs te kopen. Ook Merelbeke zette, ondanks de slechte toestand van de gemeentefinanciën, haar beste beentje voor en schonk vanaf 27 mei 1929 een aanmoedigingspremie aan diegenen die reeds vier jaar in de gemeente verbleven, minstens twee kinderen onder de 16 jaar hadden en een rijks- of provinciepremie genoten. Voor een gezin met vijf kinderen was een bedrag van 1000 frank voorzien. Toch moet gezegd dat ondanks deze premies de minstbedeelden nog steeds uit de boot vielen. Bijgevolg mocht de maatschappij haar eigenlijke taak, nl. het bouwen van huurwoningen, niet uit het oog verliezen.
De verkoop van goedkope woningen leverde de Merelbeekse Maatschappij een aardige cent op, maar "de werklieden die op ons aanraden hunne woning koopen, bekomen deze aan een uitzonderlijken prijs, welke 20 tot 25% lager is dan de werkelijke handelswaarde". De verkoop van de eerste vier huizen bracht geen frank winst op omdat de maatschappij ze aan de kostprijs verkocht. Langzaam aan werden de verkoopprijzen "uit voorzichtigheid" opgetrokken en voerde de maatschappij een meer realistische verkooppolitiek. De aldus gerealiseerde winst ging trouwens integraal naar het bouwen van nieuwe en het onderhouden van oude huurwoningen.
Vanaf 1926 stellen we vast dat de Merelbeekse Maatschappij ook actief was op het vlak van wat men later het sociaal verkavelen zal noemen. De maatschappij verkocht gronden in de Molenhoek aan speciale voorwaarden. De koper verbond er zich toe, binnen een bepaalde termijn en met de hulp van een staats- en/of provinciepremie, een woning op het gekochte perceel bouwgrond op te richten. Onder de kopers van deze vroege vorm van sociale verkaveling bevonden zich verschillende fabriekswerklieden en metsers, mannen die zelf de handen uit de mouwen konden steken en op die manier veel geld uitspaarden.

De Algemene Vergadering van 29 juli 1929 begon met "den afwezigheid te betreuren van onzen afgestorven voorzitter Eugène Verbruggen, welke zich aan onze maatschappij had toegewijd sedert hare stichting en welke in januari laatstleden aan zijn talrijke vrienden is ontrukt geworden. Mr. Verbruggen, met zijn rondborstig en openhartig karakter hield steeds ter onze beschikking zijnen lange ondervinding en zijn groot gezag".
Jean Verhaegen, "welke tot begin van het jaar 1926 de werkelijke leiding onze maatschappij heeft waargenomen in de hoedanigheid van Beheerder-afgevaardigde", werd door de Raad van Beheer verzocht de fakkel over te nemen. Hij aanvaardde en opende deze Algemene Vergadering met een uitvoerige stand van zaken: "Wij moeten er eerst en vooral op drukken, mijnheeren, dat de werking onzer maatschappij zich dagelijks uitbreidt, en dat zij zich mag verheugen op eenen voldoende toestand, zoowel onder het oogpunt van geldelijk belang, als van de aanmoedigende uitslagen harer menschlievende strekking."
Verder wees de nieuwe voorzitter op de aanhoudende woningnood in de gemeente. Vandaar de aankondiging dat de maatschappij beslist had 17 nieuwe woningen op te richten. De huisvesting is volgens Jean Verhaegen immers een belangrijke factor om de arbeiders "in familiekring te verheffen en hierdoor meer geluk aan te brengen." Bovendien stelde hij met tevredenheid vast dat "onze werkliedenbevolking aan onze maatschappij haar vertrouwen en hare achting geeft geschonken."

De Meirelbeeksche Goedkoope Woningen had duidelijk de wind in de zeilen. De verkoop van huizen, maar belangrijker nog de verkoop van gronden leverde de maatschappij aanzienlijke winsten op, "welke ons toegelaten eenen belangrijke geldelijken voorraad vast te zetten met het doel deze te benuttigen op het gepaste oogenblik". Als eerste schepen was Jean Verhaegen bijzonder goed op de hoogte van het reilen en zeilen in zijn gemeente en bracht hij de maatschappij op de hoogte telkens zicht interessante "koopjes" voordeden.
Terreinen aangekocht begin de jaren ´20 konden enkele jaren later dankzij de snelstijgende grondprijzen met veel winst worden doorverkocht.

Na de inplanting van een eerste reeks van 30 woningen in 1922 bleef het een aantal jaren windstil op het Merelbeekse bouwfront. Moest de maatschappij even op adem komen? Meer dan waarschijnlijk waren de financiële beperkingen van de Nationale Maatschappij de reden van deze onderbreking. Toen in 1922 de socialisten geen deel meer uitmaakten van de regering, werd door de katholieken het zogenaamde premiestelsel Moyersoen ingevoerd. Bedoeling was de individuele woningbouw te stimuleren door kandidaat-eigenaars bij de bouw van hun volkswoning een aanmoedigingspremie te schenken. Dit stelsel kende een enorm succes. Toen daarna de premies werden opgevoerd, viel dit vooral ten nadele van de Nationale Maatschappij uit, die haar kredieten zag slinken. Reeds bij de oprichting van de Nationale Maatschappij werd het duidelijk dat de katholieken en socialisten een andere visie hadden op het sociaal woningbeleid. De katholieken legden de nadruk op de individuele eigendomswoning, terwijl de socialisten vooral de Engelse tuingedachte voor ogen hadden. Daarin stond het collectief leven van de huurders, in een rustige groene omgeving centraal. Deze verschillende opvattingen zouden ook na de Tweede Wereldoorlog voor accentverschuivingen binnen de Nationale Maatschappij zorgen.

Maar niettemin brak vanaf 1929 brak voor de Merelbeekse Sociale Woningen een nieuwe, bijzonder drukke periode aan. Het eerste project bestond uit een groep van 10 huizen in het gehucht Molenhoek, gelegen aan de Bergbos- en de Polderstraat. Midden 1928 werd de aanbesteding goedgekeurd. Aannemer Naessens kreeg de opdracht toegewezen. Alle huizen die de maatschappij in de jaren ´20 en ´30 neerzette, werden volgens dit basisplan, "qui plaït particulièrement à notre population ouvrière" gebouwd. Gezien het belang van een lage kostprijs was er weinig ruimte voor fantasie. Af en toe bevond de voordeur zich aan de zijkant en werd een voortuintje aangelegd. Steeds zorgde de maatschappij er voor dat de huizen spaarzaam werden samengesteld, zonder nochtans hun sterkte en hun hoedanigheid uit het oog te hebben verlorden.
Nog voor de voltooiiing van de woningen kon de voorzitter de Algemene Vergadering van 1929 meedelen dat reeds 8 huizen waren verkocht.

Eind 1929 keurde de Nationale Maatschappij de aanbesteding van een groter project aan de Lembergsesteenweg goed. De woningnood scheen immers niet af te nemen. Opnieuw stellen we vast dat de helft van de in totaal 12 te bouwen woningen als koophuizen van de hand gingen.
Met dit project kwam het totaal aantal door de Merelbeekse Maatschappij gebouwde woningen op 55, waarvan 28 verkocht en 27 verhuurd. Maar de vraag bleef groter dan het aanbod. De maatschappij beschikte nog over een terrein aan de Bosdreef (gehucht Nachtegaal) en een lap grond aan de Lembergsesteenweg, in 1922 overgekocht van de familie Clemmen. Deze aanbestedingen waren goed voor de oprichting in 1930-1931 van respectievelijk 4 en 8 nieuwe huizen.

De Raad van Beheer bleef nieuwe bouwprojecten koesteren. De groeiende economische crisis stak echter stokken in de wielen. De lonen daalden scherp. Een groeiend aantal faillissementen en bedrijven in moeilijkheden leidde tot een stijging van de werkloosheid. Als halfnijverheids-, halfplattelandsgemeente had Merelbeke af te rekenen met een toevloed van immigranten. Inderdaad, door het instorten van de voedingsprijzen ontvluchtte het werkloze landbouwproletariaat de plattelandsgemeenten. Merelbeke vormde een tussenstation op weg naar de Gentse grootstad. Vanuit het overbevolkte Gentse nijverheidscentrum kwam een omgekeerde beweging op gang. De gemeente kon dit overschot aan arbeidskrachten niet opvangen daar zij niet over een ruime werkgelegenheid beschikte.
In tegenstelling tot de onmiddellijke Gentse randgemeenten, zoals Ledeberg en Gentbrugge, die eerder als een verlengstuk van de stad konden worden beschouwd, had Merelbeke haar agrarisch karakter grotendeels behouden.
De economische crisis dwong de regering de steun aan de Nationale Maatschappij terug te schroeven. Deze laatste was bijgevolg niet langer in staat bouwkredieten te verlenen. Begin 1931 had de Merelbeekse Beheerrraad nog besloten 2 hectare bouwgrond aan de gunstprijs van 7 frank per m² aan te kopen. De Nationale Maatschappij keurde de aankoop goed maar zij liet ons opmerken dat er voortaan geen geld meer zou geleend worden en dat onze maatschappij nog slechts over 119.000 frank beschikte, met andere woorden de geldkraan werd toegedraaid. Bovendien merkte de Raad van Beheer op dat er geen nieuwe aanvragen tot het kopen van de woningen waren binnengekomen. In deze omstandigheden besloot de Merelbeekse Maatschappij elke bouwactiviteit te staken.

Alhoewel vanaf 1936 het economische leven stilaan terug op gang kwam, werd tot de Tweede Wereldoorlog geen enkele woning meer verkocht. Zowel de huurders als de maatschappij hadden tijd nodig om de gevolgen van de crisis weg te werken.

Vanaf haar ontstaan in 1921 tot aan de vooravond van WOII had de Meirelbeeksche Goedkoope Woningen 67 huizen gebouwd. De helft werd verhuurd (33), de andere helft verkocht (34).

Het Duitse leger viel België binnen op 10 mei 1940. Voor de voorzitter, oudstrijder 1914-1918, betekende de Belgische capitulatie in mei 1940 een enorme schok. De familie Verhaegen werd opgepakt en Jean en Pierre Verhaegen werden gedeporteerd naar de concentratiekampen, alwaar Jean Verhaegen de dood vond.

Na zijn terugkeer uit het concentratiekamp werd Pierre Verhaegen tijdens de eerste vergadering van de Raad van Beheer, op 5 juli 1945 in opvolging van zijn aldaar overleden vader tot voorzitter ´gebombardeerd´, zoals hij zelf formuleerde.
In zijn veelvuldige contacten met de Brusselse Spastraat, stelde hij een totale afwezigheid van geldmiddelen vast. De administratie was één puinhoop: gepensioneerde of overleden ambtenaren waren niet vervangen en Nieuwe-Orde gezinden moesten worden verwijderd.
Pas vanaf de wet Brunfaut van 15 april 1949 kon de Nationale Maatschappij rekenen op een vaste financiële tussenkomst van de staat. Dit betekende een substantiële verbetering met de vooroorlogse situatie, toen voor elke door de Nationale Maatschappij uit te schrijven lening een bijzondere wet diende te worden gestemd. Bovendien bepaalde de wet Brunfaut dat stedebouwkundige aanleg van sociale woonwijken, d.w.z. de aanleg van de bestrating, de riolering, de verlichting, de elektriciteits-,gas- en watervoozieningen, voortaan door het Ministerie van Openbare Werken zou worden uitgevoerd en bekostigd.

De Merelbeekse Maatschappij kocht in 1950 en 1951 gronden aan aan de Bergstraat. Deze gronden stelde de maatschappij in staat om 79 woningen op te richten, genaamd Tuinwijk Jan Verhaegen...

Meer informatie met betrekking tot de projecten kan u in het onderdeel ´Patrimonium´ terugvinden.

Copyright (c) 2012 Merelbeekse Sociale woningen   |  Privacy Statement  |  Terms Of Use